Vraag & Antwoord

Het volgen van een Madhhab
2 december 2017

Vraag:

Moet ieder land een specifieke wetschool volgen en deze (trachten te) onderwijzen zonder het noemen van de overige meningen (van de andere wetscholen)? Zoals het noemen van een bepaald oordeel (volgens die wetschool) zonder het noemen van de andere meningen over dat onderwerp?

Antwoord:

Alle lof zij Allah.

De mensen in een land zijn wat betreft al-Idjtihaad (rechtsvinding) en at-Taqlied (blindelings volgen) als volgt op te delen:

  1. Islamitische wetsgeleerden die beschikken over de middelen en die het niveau hebben bereikt om tot oordelen te komen, en die verplicht zijn de waarheid te volgen die zij zien op basis van een bewijs.
  2. De overgrote meerderheid van de mensen die niet gespecialiseerd zijn in islamitische wetenschappen of niet het niveau hebben bereikt om al-Idjtihaad te verrichten of om fatwa’s uit te vaardigen. Dit betreft de meerderheid van de mensen of degene die wel opgeleid zijn of andere specialisaties hebben op andere gebieden. Voor hen is het verplicht de geleerden te raadplegen en van hen (aan) te nemen. En dit vinden we terug in de Woorden van Allah (interpretatie van de betekenis):

“Vraag het maar aan degenen die kennis hebben (van de eerdere Boeken), indien jullie (het) niet weten.”

(Soerat an-Nahl: 43)

Dus de bewoners van een land zijn verplicht de bezitters van (islamitische) kennis te raadplegen en hun oordelen te op te volgen. Maar dit betreft niet een dusdanige ‘opvolging’ van de oordelen in de zin dat ze onfeilbaar of heilig zijn en de beschikking hebben om de islamitische Wetgeving te beheren (en te beslissen), zoals dit heeft plaatsgevonden bij de joden, christenen, Raafidah, de extreme Soefi’s en de Baatiniyyah, omdat men hiermee de grens overschrijdt van het geloof. En dit is het nemen van deelgenoten naast Allah (ter aanbidding), terwijl Allah zegt in de Koran (interpretatie van de betekenis):

“Zij (d.w.z. de joden en christenen) namen hun rabbijnen en hun priesters als goden (ter aanbidding) aan naast Allah. En (zij namen) de Messias (ʿIesa), de zoon van Maryam (ook als hun god), en (dit terwijl) hun uitsluitend werd opgedragen om niets anders dan de Ene ware God te aanbidden. Er is geen god dan Hij. Verheven is Hij boven datgene wat zij (Hem) aan deelgenoten toekennen.”

(Soerat at-Tawbah: 31)

De bedoeling van het (op)volgen van de oordelen van de geleerden, is het komen tot een islamitisch oordeel, via de juiste weg (die van de geleerden), die van de gespecialiseerden, degenen die beschikken over de juiste middelen en kennis, en het juiste niveau hiervoor hebben bereikt, gebaseerd op bewijzen. En niet gebaseerd op een toegekende heiligheid (zogenaamd) in Naam van de Heer of in de naam van een bijzondere nabijschap (Wilaayah) of andere valsheden.

Ibn Taymiyah zegt: “Allah, de Verhevene, heeft de schepping verplicht Hem en Zijn Boodschapper (vrede zij met hem) te gehoorzamen. Het is (dus) niet verplicht voor de gemeenschap een specifieke persoon te gehoorzamen in alles wat hij beveelt of afkeurt, behalve in geval van de Profeet (vrede zij met hem). Zelfs Siddieq ul-Oemmah, de beste van de gemeenschap na de Profeet (vrede zij met hem), Aboe Bakr (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: “Gehoorzaam mij zolang ik Allah gehoorzaam ben. Maar als ik Allah ongehoorzaam ben, gehoorzaam mij dan niet.”

En ze zijn het er over eens dat er niemand onfeilbaar is in het gebieden en verbieden, behalve de Profeet (vrede zij met hem). Daarom zeggen meerdere (van de) imams: “Van ieder mens wordt genomen van zijn uitspraken en verworpen, behalve van de Profeet (vrede zij met hem).”

(Madjmoeʿ ul-Fataawa, boekdeel 20, blz. 211)

Nu rest nog de vraag hoe te bepalen wie de geleerden zijn en welke wetenschappelijke referentiekaders er zijn. We kunnen stellen dat er twee wetenschappelijke referentiekaders zijn waarop teruggevallen kan worden, op zowel gemeenschappelijk als individueel niveau. Dit zijn:

  1. Hedendaagse bronnen. Waaronder wetenschappelijke instituten, islamitische comités, e.d. onder toezicht van de geleerden. Ook de individuen (onder de geleerden) en degenen die beschikken over de juiste competenties en specialismen. Zij hebben zeker een groot aandeel in het zijn van een vraagbaak, bron van kennis, referentie- en adviespunt. Zeker als het gaat om zaken in het dagelijkse leven (van de moslim) en in specifieke gevallen, tijdgebonden en actuele vraagstukken. Zo ook als het gaat om vraagstukken die opnieuw bekeken dienen te worden in het licht van de islamitische bewijzen en het gezonde verstand, ten behoeve van het algemene belang en het behoeden van de gemeenschap tegen het schadelijke. Als het (blindelings) volgen van een Madhhab als gevolg heeft dat het lastig en zwaar wordt (voor de moslims); (weet dan dat) de Sharia is gebaseerd op gemak en niet op verzwaring en ongemak.
  2. Klassieke bronnen. Namelijk de vier bekende wetscholen: al-Hanafie, al-Maalikie, ash-Shaafiʿie en al-Hanbalie. Zij verdienen het meer om gevolgd te worden en om (oordelen) van te nemen. Er zijn namelijk regels (opgesteld) voor het refereren naar bronnen en om ermee te oordelen. Zo ook voor de leer- en onderwijsmethoden die gehanteerd worden door studenten van kennis in de kenniskringen binnen de moskeeën en de scholen, en de verschillende stadia die worden doorlopen door de specialisten van de islamitische jurisprudentie en wetenschappen. Maar ook voor het islamitisch ‘erfgoed’ (basiskennis) wat dient bij te blijven bij de gemiddelde persoon (die niet geleerd is in islamitische wetenschappen) en diens moeite om te onthouden en te begrijpen.

Het is een bron waar een geleerde (Moedjtahid) naar terugkeert op het moment dat hij geen kans ziet om het vraagstuk te bestuderen en om tot een conclusie te komen, en het maakt een einde aan de onenigheid en opsplitsing binnen de gemeenschap. Het sluit de deuren voor foute, vreemde en op begeertes gebaseerde meningen. Al deze voorzorg in deze tweede bron is vertegenwoordigd in de vier wetscholen en dat is de grootste reden waarom deze (methode) gevolgd zou moeten worden.

Al-Haafidh ibn Radjab zegt: “En tot de Wijsheid van Allah, de Verhevene, behoort dat het behouden van het geloof gebeurt middels het sturen van imams naar de mensen. Men is het er unaniem over eens dat deze imams beschikken over de juiste kennis en het juiste niveau aangaande de islamitische oordelen en fatwa’s, waardoor de mensen afhankelijk van hen zijn geworden en naar wie teruggekeerd wordt als het gaat om het inwinnen van islamitische oordelen. Tevens bezorgt Allah (steeds) personen die deze wetscholen beheersen en de stelregels ervan opstellen en uitschrijven. Totdat elke wetschool (van de imams) is uitgewerkt (op alle vlakken) en men ernaar kan terugkeren, alsmede naar de uitspraken over Halaal en Haraam.

En dat is (natuurlijk) de Zachtheid van Allah tegenover Zijn dienaren en het is één van de manieren waarop Hij de Religie bewaakt.

En als dat niet zo was, dan zouden de mensen vreemde dingen hebben gezien, waarbij elke dwaas met zelfbewondering de mensen zou kunnen misleiden. Dus je zou dergelijke dwazen al kunnen hebben gezien die beweren dat ze grote imams zijn en zeggen dat ze de gids van deze gemeenschap zijn, of de enige zijn naar wie de mensen zouden moeten terugkeren en niet naar anderen (door hen uit te sluiten).

Maar met de Genade van Allah is deze deur, die tot ernstigste gevaren zou kunnen leiden, gesloten en zijn deze kwaadheden weggehouden. En dit is een teken van de Grote Genade en Vriendelijkheid van Allah jegens Zijn dienaren.

Desalniettemin zijn er nog steeds personen die claimen het niveau te hebben bereikt van al-Idjtihaad en praten over kennis zonder daarin één van de imams te volgen.

Voor sommigen van hen kunnen we het rechtvaardigen, omdat er duidelijk oprechtheid aanwezig is. En sommigen van hen worden weerlegd op basis van de valsheden waarnaar ze uitnodigen. De rest van de mensen die niet dat niveau bereikt hebben, dienen de (vier) imams te volgen en de weg te in te slaan die de rest van de gemeenschap heeft ingeslagen.”

(ar-Radd ʿala man ittabaʿa ghayr al-Madhaahib al-Arbaʿah, boekdeel 2, blz. 624)

Ook zei hij: En als er wordt gezegd: “Wat zeggen jullie over het feit dat imam Ahmad en andere imams het afkeurden om hen blindelings te volgen en hun woorden op te schrijven? En de uitspraak van imam Ahmad: “Schrijf niet mijn woorden op, en ook niet de woorden van die en die, maar leer zoals wij hebben geleerd.” En dit vind je veelvuldig terug in hun woorden. Zeg dan: “Er bestaat geen twijfel aan het feit dat imam Ahmad verbood om de meningen van de Foeqahaa’ te bestuderen en er tijd aan te besteden om het te memoriseren en te noteren. In plaats daarvan zou men zich bezig moeten houden met de Koran en de Soenah, het memoriseren ervan, het begrijpen ervan, het schrijven ervan en het bestuderen daarvan. En het schrijven van overleveringen van de Sahaabah (metgezellen) en de Taabiʿien (de generatie die daarop volgde) zonder de woorden van degene die daarna kwamen, en hiervan de authentieke onderscheiden van de zwakke. Er bestaat geen twijfel aan het feit dat men hier zijn aandacht en tijd aan moet besteden, alvorens hij zich met andere zaken gaat bezighouden. En degene die dat weet, en het ‘maximale’ heeft bereikt qua (zijn) kennis, zoals imam Ahmad naar verwees, dan heeft hij bijna het kennisniveau van imam Ahmad bereikt. Voor deze persoon zijn er geen beperkingen en over hem spreken we niet. We spreken slechts over degene die dit niveau niet hebben bereikt en slechts een klein beetje begrijpen, zoals het met de mensen tegenwoordig gaat en zoals het vroeger is gegaan. Met het argument dat zij het toppunt hebben bereikt, terwijl de meeste onder hen niet eens verder zijn gekomen dan de grondbeginselen of het beginnersniveau.”

(ar-Radd ʿala man ittabaʿa ghayr al-Madhaahib al-Arbaʿah, boekdeel 2, blz. 628)

Wie de geschiedenis van al-Fiqh en de wetgeving bestudeert, zal beseffen dat het in alle fasen is gevormd door een groep geleerden die bekend waren onder de mensen wat betreft hun kennis, deugd en vroomheid, van wie de oordelen werden genomen over religieuze kwesties en naar wie (in de meeste gevallen) wordt teruggekeerd met betrekking tot hun uitspraken en fatwa’s.

En imam Ibn ul-Qayyim zei: “De religie, de Fiqh en de kennis is binnen de gemeenschap verspreid via de metgezellen van Ibn Masʿoed, de metgezellen van Zayd ibn Thaabit, de metgezellen van ʿAbdoellaah ibn ʿOmar en de metgezellen van ʿAbdoellaah ibn ʿAbbaas. De meeste kennis is via deze vier (metgezellen) tot hen gekomen. Wat betreft de mensen van Medina (is de kennis tot hen gekomen) via de metgezellen van Zayd ibn Thaabit en ʿAbdoellaah ibn ʿOmar. En wat betreft de mensen van Mekka, is de kennis tot hen gekomen via de metgezellen van ʿAbdoellaah ibn ʿAbbaas. En wat betreft de mensen van Iraq, zij zijn onderwezen door de metgezellen van ʿAbdoellaah ibn Masʿoed.

(Iʿlaam ul-Moewaqqiʿien boekdeel, 1, blz. 17)

En de geleerde Ahmad Baashaa Taymoer (moge Allah genadig met hem zijn) zei: “In de tijd van de metgezellen en de generatie na hen, vóór het opkomen van de verschillende wetscholen, werden fatwa’s genomen van de (meest)geleerde onder hen; de ‘dragers’ van het Boek van Allah die de betekenissen ervan begrepen. Toen de Taabiʿien daarna volgden, volgde iedereen de metgezel die zich onder hen bevond in hun stad. Ze namen van niemand anders, op een paar kleine zaken na wat via andere wegen tot hen kwam. Zo volgden de inwoners van Medina (over het algemeen) de fatwa’s van ʿAbdoellaah ibn ʿOmar, en de inwoners van al-Koefah de fatwa’s van ʿAbdoellaah ibn Masʿoed, en de inwoners van Mekka de fatwa’s van ʿAbdoellaah ibn ʿAbbaas, en de inwoners van Egypte de fatwa’s van ʿAbdoellaah ibn ʿAmr ibn ul-ʿAas.

En na de Taabiʿien kwamen de plaatselijke geleerden zoals Aboe Haniefah, Maalik en anderen. En iedere provincie volgde de geleerde die daar verbleef. Aldus zijn de (verschillende) redenen waarom de ene Madhhab verspreid is en andere niet.

(al-Madhaahib ul-Fiqhiyyat ul-Arbaʿah, 16-17)

Dit betekent niet dat wij blindelings een Madhhab moeten aanhangen en volgen. In die zin dat we men verplichten een Madhhab letterlijk te volgen zonder onderzoek te plegen en afwegingen te maken. De bedoeling is dat een (Fiqh)leer genomen wordt op basis van één van deze Madhaahib. Op het moment dat een geleerde (Moedjtahid) tot de conclusie komt dat een (bepaalde) uitspraak of opinie vanuit een Madhhab incorrect is, hoort hij deze uitspraak te laten en de mening te volgen die volgens hem correct is (vanuit de andere Madhaahib). Op deze manier kan men op een (academisch) verantwoorde wijze, zoals die van de vrome voorgangers en de imams, zich ontdoen van de negatieve gevolgen die voortkomen uit onwetendheid en het blindelings volgen.

En Sheikh Moehammad ibn Ibraahiem (moge Allah hem genadig zijn) zegt: “Het aanhangen van één van de Madhaahib is correct en is zelfs conform consensus, en is niet verboden zoals het toeschrijven van iets aan één van hen. Want zij zijn imams met consensus. En de mens kunnen we in drie categorieën verdelen wat dit betreft:

– Een volk dat het aanhangen van een Madhhab helemaal niet erkent (in die zin dat ze het niet correct vinden). En deze houding is incorrect.

– Een volk dat overdrijft in het aanhangen van een Madhhab en überhaupt niet naar een andere Madhaahib omkijkt.

-Een volk dat het aanhangen van een Madhhab goedkeurt en niet verbiedt, en een uitspraak neemt van welke Madhhab dan ook, zolang deze maar gebaseerd is op een (correct) bewijs. Dus op het moment dat er een eenduidige of meerduidige tekst bestaat, keert men niet terug naar de Madhhab. En op het moment dat iets niet is terug te vinden over een vraagstuk (geen eenduidige of meerduidige tekst, maar wel een mening vanuit een Madhhab) en een geleerde wijkt af van deze mening gebaseerd op een bewijs, dan neemt men deze mening aan.”

(Fataawa Sheikh Moehammad ibn Ibraahiem boekdeel 10, blz. 2, druk 2)

En in een fatwa van al-Ladjnat ud-Daa’imah staat: “Wat is het oordeel over het houden aan één van de vier Madhaahib en het onder alle omstandigheden volgen van haar uitspraken en meningen?

Antwoord:

  • Degene die in staat is oordelen af te leiden uit de Koran en Soennah neemt van deze bronnen, zoals zij dat ook deden voor hem, en voor hem is het blindelings volgen van een (ander) oordeel niet toegestaan op het moment dat hij overtuigd is dat de waarheid het tegenovergestelde is, neemt hij hetgeen hij van overtuigd is. En hij mag wel Taqlied doen op het moment dat hij niet in staat is om tot een oordeel te komen.
  • Degene die niet in staat is oordelen af te leiden uit de Koran en Soennah, mag Taqlied doen bij een (bekwame) geleerde waar hij een goed gevoel bij heeft. En als hij er geen goed gevoel bij heeft, gaat hij door met vragen, tot hij daar zijn rust in vindt.

Op basis hiervan wordt er dus niet onder alle omstandigheden aan één uitspraak vastgehouden, omdat ook zij (de imams) fouten kunnen maken. Men dient de waarheid te volgen die gebaseerd is op een bewijs.”

(Fataawa al-Ladjnat ud-Daa’imah, boekdeel 5, blz. 28)

En in een andere fatwa: “En een ieder van hen kwam na de Profeet (vrede zij met hem) en behoorde tot de beste mensen in hun tijdperk (moge Allah tevreden met hen zijn). En zij hebben hun best gedaan om oordelen af te leiden uit de Koran en Soennah en uit de consensus van de metgezellen en dit de mensen duidelijk gemaakt en onderwezen. Hun woorden zijn tot ons gekomen en zijn wereldwijd verspreid en opgevolgd door de geleerden na hen. Zij vertrouwden hen en voelden zich er comfortabel bij. Het kwam overeen met de (basis)principes en regels en vielen hierop terug en zij verspreidden hun uitspraken onder de mensen. Degenen die hen blindelings volgden van de ongeletterden en uitvoerden wat zij wisten van hun uitspraken die toegeschreven zijn aan degene wie ze volgden. Daarom moet men de geleerden van zijn (eigen) tijd raadplegen die helpt de waarheid te begrijpen vanuit het bewijs.

Uit het voorgenoemde blijkt dat zij (uiteindelijk) volgers van de Profeet (vrede zij met hem) zijn en niet dat de Boodschapper hen volgde. Waar hij mee kwam van Allah met de Sharia is het uitgangspunt waar de imams en andere geleerden naar terug dienen te keren (moge Allah tevreden zijn met hen). En iedere moslim wordt Hanafiyyah genoemd, omdat hij al-Hanafiyyah volgt wat natuurlijk het geloof van Profeet Ibraahiem is en die van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem).”

(Fataawa al-Ladjnat ud-Daa’imah, boekdeel 5, blz. 54-55)

En Allah weet het het beste.

Islamqa.com


Doorsturen

|


Print

|

1123 keer gelezen

|