Vraag & Antwoord

Bidden bij graven en de voorwaarden van bemiddeling
13 juni 2010
Vraag:
 
Ik was in gesprek met een volgeling van een Soefi stroming. Deze persoon vroeg me wat ik dacht van het bidden bij de graven en de bemiddeling op de Dag des Oordeels door religieuze geleerden. Ik vertelde hem dat het bidden naar iemands graf Shirk is en dat niemand kan bemiddelen behalve de Profeet (vrede zij met hem). Ik zou graag willen weten wat het oordeel is van de mensen van kennis hierover en welke bewijzen hiervoor zijn.
 
Antwoord:
 
Alle lof zij Allah.
 
Er zijn twee soorten van bidden bij graven.
 
1. De eerste soort is het bidden naar de bewoner van het graf. Dit is grote Shirk waarmee iemand zich buiten de oevers van de Islam plaatst. Het gebed is namelijk een daad van aanbidding en het is niet toegestaan een daad van aanbidding te richten aan een ander dan Allah. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):
 
“En aanbidt Allah en kent Hem in niets een deelgenoot toe.”
(Soerat an-Nisaa’: 36)
 
En (interpretatie van de betekenis):
 
“Zeker, Allah vergeeft niet dat Hem deelgenoten worden toegekend, maar Hij vergeeft daarbuiten aan wie Hij wil. En wie deelgenoten aan Allah toekent, is zeker ver afgedwaald.”
(Soerat an-Nisaa’: 116)
 
2. De tweede soort is het aanbidden van Allah op de begraafplaats. Dit gebeurt in bepaalde gevallen.
 
a. Het verrichten van het dodengebed (Djanaazah) op de begraafplaats. Dit is toegestaan. Bijvoorbeeld: Als een persoon komt te overlijden en jij niet in staat bent het dodengebed voor hem in de moskee te verrichten, dan is het toegestaan voor jou om het dodengebed voor hem te verrichten nadat hij is begraven.
 
Het bewijs hiervoor is dat de Profeet (vrede zij met hem) dit heeft gedaan. Aboe Hoerayrah heeft overgeleverd dat een zwarte vrouw gewoon was de moskee schoon te maken en zij was komen te overlijden. De Profeet (vrede zij met hem) vroeg naar haar en er werd gezegd: “Zij is overleden.” Hij (vrede zij met hem) zei hierop: “Waarom hebben jullie mij niet op de hoogte gesteld? Toon me haar graf.” Hierna ging hij naar het graf en verrichtte het dodengebed.
(al-Boekhaari en Moeslim)
 
b. Het verrichten van het dodengebed (Djanaazah) op de begraafplaats is ook toegestaan wanneer de overledene nog niet is begraven. Hierbij gelden dezelfde voorwaarden als hierboven genoemd.
 
Sheikh cAbd ul-cAziez ibn Baaz heeft gezegd: “Het is toegestaan het dodengebed voor de overledene op de begraafplaats te verrichten, net zoals het toegestaan is om het dodengebed voor hem te verrichten nadat hij is begraven. Het is bewezen dat een vrouw die gewoon was de moskee schoon te maken was komen te overlijden. De Profeet (vrede zij met hem) vroeg naar haar en er werd gezegd: “Ze is komen te overlijden.” Hij zei hierop: “Waarom hebben jullie mij niet op de hoogte gesteld? Toon me haar graf.” Zij wezen hem het graf, waarna hij het gebed voor haar verrichtte. Daarna zei hij: “Deze graven zijn gevuld met donkerte voor hun inwoners, maar Allah verlicht ze middels mijn gebed voor hen.”
(Moeslim)
 
(Fataawaa al-Ladjnat ud-Daa’imah, boekdeel 8, blz. 392)
 
c. Het verrichten van gebeden op de begraafplaats (afgezien van het dodengebed). Dit gebed is ongeldig en wordt niet geaccepteerd, ongeacht of het hier gaat om een verplicht of vrijwillig gebed.
 
Het bewijs is het volgende.
 
De Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: “De gehele aarde is een moskee, behalve de begraafplaatsen en de wasruimten.”
(at-Tirmidhi en Ibn Maadjah)
 
Het verrichten van het gebed op de begraafplaatsen kan leiden tot het aanbidden van graven of het imiteren van degenen die dit doen. Daarom is het voor ons verboden. Net zoals het ons verboden is om het gebed te verrichten als de zon opkomt of ondergaat. Dit is om te voorkomen dat dit zou leiden tot het aanbidden van de zon in plaats van Allah. De ongelovigen knielen namelijk neer voor de zon als deze opkomt en ondergaat.
 
Het bidden richting de graven is ook verboden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer je het gebed verricht bij een begraafplaats of een graf in de richting van de Kacbah. Je bidt echter niet op de begraafplaats, maar op andere grond nabij de begraafplaats. Dit verbod geldt niet als er tussen jou en de nabijgelegen begraafplaats of graf een barrière is, zoals bijvoorbeeld een muur.
 
Het bewijs dat dit verboden is:
 
Aboe Marthad al-Ghanawi heeft gezegd: “De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft gezegd: “Zit niet op graven en verricht het gebed niet richting hen.”
(Moeslim)
 
Dit duidt erop dat het verboden is om richting begraafplaatsen, graven of een individueel graf te bidden. Zolang een persoon richting een graf of begraafplaats staat – en dit gebeurt op zo’n manier dat duidelijk is dat hij die kant op bidt – dan valt dit onder het verbod. Dit omdat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: “Bidt niet…” Het verbod ligt hier op het bidden. Als een persoon dus richting een graf bidt, dan combineert hij gehoorzaamheid met ongehoorzaamheid en is het dus niet mogelijk om op deze manier dichter bij Allah te komen.
 
Als er een muur tussen jou en de begraafplaats is, dan is de basisregel dat het toegestaan is het gebed te verrichten en is dit niet verboden. Dit is ook het geval als er zich een straat of een noemenswaardige afstand tussen bevindt, zodat niet meer gezegd kan worden dat je richting de graven bidt. En Allah weet het best.
 
(Zie al-Moeghnie, boekdeel 1, blz 403;
ash-Sharh ul-Moemtic van Sheikh Ibn al-cOethaymien, boekdeel 2, blz. 232)
 
Wat betreft de kwestie van bemiddeling: Je hebt een fout begaan door te zeggen dat niemand zal bemiddelen op de Dag der Opstanding behalve de Profeet (vrede zij met hem). De Profeet zal namelijk bemiddelen en ook anderen behoorde tot de gelovigen.
 
Ik zal hier nog iets aan toevoegen, namelijk dat er voorwaarden zijn verbonden aan bemiddeling.
 
1. Allah moet toestemming verlenen aan de bemiddelaar om te kunnen bemiddelen.
2. Allah moet de bemiddeling, voor degene voor wie dit verricht wordt, goedkeuren.
 
Het bewijs voor deze twee voorwaarden zijn de verzen waarin Allah zegt (interpretatie van de betekenis):
 
“En hoeveel engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak niets baat, behalve nadat Allah toestemming geeft voor wie Hij wil en voor wie Hem behaagt?”
(Soerat an-Nadjm: 26)
 
En (interpretatie van de betekenis):
 
“En zij zijn niet van voorspraak, behalve voor wie Hem welgevallig zijn.”
(Soerat an-Anbiyaa’: 28)
 
De denkbeeldige bemiddeling, waarvan de beeldenaanbidders denken dat hun goden dit zullen verrichten, is een ongeldige bemiddeling. Allah geeft namelijk geen toestemming voor bemiddeling als Hij niet tevreden is met de bemiddelaar en degene voor wie bemiddeling wordt verricht.
(Al-Qawl ul-Moefied Sharh Kitaab at-Tawhied, blz. 336-337)
 
Sheikh Mohammed Saalih al-Moenadjjid


Doorsturen

|


Print

|

6237 keer gelezen

|