|
03:55
Den Haag | Fadjr
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
03:55
Middel 6
05:34
Middel 5
13:47
Middel 2
17:59
Middel 4
21:45
Middel 3
23:24
Alle gebedstijden
Term ‘salafisme’ behoeft bijstelling

Vijftien jaar onderzoek naar salafisme in Nederland laat zien dat het beeld van salafisme nodig bijgesteld moet worden, aldus Maurits Berger, Ahmed Hamdi en Merel Kahmann.

In 2004 verzuchtte Kamerlid Bosma (PVV): „Ik lees allerlei termen: dawa-salafisme, gewoon salafisme, jihadisme, islamisme. Ook ‘jihadi-salafisten’ haal ik uit het [AIVD] rapport. Ik heb geen flauw idee waarvoor ze staan. Ik hoor graag waar dat allemaal begint en eindigt.”

Sindsdien is er niet veel verbeterd. Ook is salafisme in het publieke en politieke domein geen beschrijvende term meer, maar meer een beschuldiging. Het woord salafist wordt vaak gebruikt voor een moslim die zich schuldig maakt aan polariserend of zelfs staatsondermijnend gedrag. Maar wat zou hij dan doen?

Gisteren is het rapport Salafisme belicht: vijftien jaar studie naar salafisme in Nederland, dat Maurits Berger, Ahmed Hamdi en Merel Kahmann in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken hebben opgesteld en naar de Tweede Kamer hebben gestuurd. Hiervoor zijn tientallen wetenschappelijke proefschriften en rapporten bestudeerd die in de afgelopen vijftien jaar zijn verschenen over salafisme in Nederland. Die laten een gevarieerd beeld zien. Allemaal zien ze het salafisme als een brede stroming binnen de Islam die conservatief of orthodox is, en streeft naar een zuivere Islam die zich baseert op een zo letterlijk mogelijke interpretatie van de bronnen.

Daarnaast laten de onderzoeken zien dat de ‘salafisten’ ook heel divers zijn in de manier waarop zij de Islam uitleggen. Zo zijn er die zich keren van de seculiere maatschappij, terwijl anderen daar juist aan willen deelnemen. Sommigen lezen in de bronteksten dat man en vrouw gescheiden moeten leven, terwijl anderen dit zien als een aanzet tot gelijke rechten.

Samengevat is het salafisme net zo divers als het Nederlands religieus landschap.

Deze zorgen hebben ertoe geleid dat het wetenschappelijk onderzoek naar salafisme gedurende vijftien jaar is gedomineerd door een veiligheidsvraag: is salafisme een vorm van radicale Islam, is het gevaarlijk? De vraag is niet onterecht, maar wel sturend.

Hoewel voortschrijdend onderzoek – ook dat van de AIVD – steeds weer verklaarde dat die radicalisering slechts betrekking had op een zeer kleine, extremistische groep salafisten, kon deze visie niet meer doordringen bij de politiek, het publiek en de nieuwsmedia. Zo kwam de term salafisme synoniem te staan voor radicale Islam.

Uit het overzicht van vijftien jaar wetenschappelijk onderzoek trekken de onderzoekers daarom twee conclusies. De eerste daarvan is dat de wetenschap zich moet losmaken om salafisme en onderzoek hiernaar enkel te bezien in het licht van veiligheid. Daarentegen dient het te worden bestudeerd tegen de bredere achtergrond van religiebeleving in Nederland.

De onderzoekers zagen dat in alle onderzoeken ‘salafisme’ wordt gedefinieerd als een conservatieve vorm van religiebeleving. Dat verschilt niet van de gemeenschappen van orthodoxe joden en christenen die Nederland al eeuwen kent. De vraag zou daarom moeten zijn waarin een salafist zich onderscheidt van de orthodoxe jood of christen.

De andere vraag zou moeten zijn wanneer deze vorm van orthodoxie als gevaarlijk of staatsgevaarlijk beschouwd moet worden. ‘Orthodoxe joden of christenen plegen geen aanslagen’ wordt dan vaak gezegd. Dit is correct. Echter wijst onderzoek uit dat dat ook van toepassing is op het overgrote deel van orthodoxe moslims.

Het zou goed zijn als er duidelijk een scheiding wordt gemaakt tussen enerzijds moslims die orthodox zijn en van wie het gedrag volgens velen wellicht onwelgevallig is, maar wel is toegestaan in Nederland. Anderzijds de kleine groep extremistische moslims die een concreet gevaar vormen voor de samenleving.

De tweede conclusie is meer een vaststelling, namelijk dat iedereen, zelfs de wetenschappers, ongelukkig is met de term salafisme. Het is een term geen recht doet aan de werkelijkheid van wat moslims in Nederland doen.

Er is maar één uitweg: weer gewoon Nederlands praten met elkaar. Geen exotische termen als ‘salafisme’, maar een omschrijving in de Nederlandse taal. We spreken dan van moslims die puriteins of conservatief zijn, die strenge opvattingen hebben over moraal of gedrag, die meer of minder verdraagzaam zijn naar andersdenkenden. En over moslims die zich schuldig maken aan haatdragende uitspraken, belediging of discriminatie, of geweld – gedragingen die omschreven zijn in het Wetboek van Strafrecht.

Op deze manier brengen we de discussie over wat we wel en niet willen in Nederland weer terug naar het concrete gedrag van mensen, in plaats van te blijven discussiëren over het label dat we erop plakken.

Bron: NRC.nl

Team al-Yaqeen
13 februari 2019